Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
traverser
01
oversteken, doorkruisen
passer d'un côté à l'autre, franchir un espace
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
traverse
1e persoon meervoud
traversons
1e persoon toekomende tijd
traverserai
onvoltooid deelwoord
traversant
voltooid deelwoord
traversé
1e persoon meervoud imperfectum
traversions
Voorbeelden
Elle doit traverser le pont pour arriver chez elle.
Ze moet de brug oversteken om thuis te komen.
02
doorkruisen, oversteken
passer à travers une matière, une surface ou un objet
Voorbeelden
Le couteau a traversé la chair facilement.
Het mes doorboorde het vlees gemakkelijk.
03
doorleven, doormaken
vivre ou connaître une situation, souvent difficile ou marquante
Voorbeelden
Il traverse une crise personnelle en ce moment.
Hij doormaakt op dit moment een persoonlijke crisis.



























