Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
réciter
01
reciteren, opzeggen
dire à haute voix un texte appris par cœur
Voorbeelden
Nous devons réciter la leçon demain.
We moeten de les morgen voordragen.
02
declameren, voordragen
dire un texte avec une intention artistique
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
récite
1e persoon meervoud
récitons
1e persoon toekomende tijd
réciterai
onvoltooid deelwoord
récitant
voltooid deelwoord
récité
1e persoon meervoud imperfectum
récitions
Voorbeelden
Ils récitent des dialogues en duo.
Reciteren dialogen als duet.



























