Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
ralentir
01
vertragen
réduire sa vitesse ou son rythme
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
ralentis
1e persoon meervoud
ralentissons
1e persoon toekomende tijd
ralentirai
onvoltooid deelwoord
ralentissant
voltooid deelwoord
ralenti
1e persoon meervoud imperfectum
ralentissions
Voorbeelden
Elle a ralenti pour laisser passer les piétons.
Ze vertraagde om de voetgangers te laten oversteken.
02
vertragen
aire aller moins vite quelque chose
Voorbeelden
Le professeur ralentit son discours pour les étudiants.
De leraar vertraagt zijn toespraak voor de studenten.
03
vertragen, langzamer worden
devenir moins vite soi-même
Voorbeelden
L' économie se ralentit depuis quelques mois.
De economie vertraagt al een paar maanden.



























