Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
planter
01
planten, zaaien
mettre une plante en terre pour qu'elle pousse
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
plante
1e persoon meervoud
plantons
1e persoon toekomende tijd
planterai
onvoltooid deelwoord
plantant
voltooid deelwoord
planté
1e persoon meervoud imperfectum
plantions
Voorbeelden
Nous avons planté un arbre pour son anniversaire.
We hebben een boom voor zijn verjaardag geplant.
02
een fout maken, verknoeien
faire une erreur ou échouer dans une action
Voorbeelden
Ne t' inquiète pas si tu te plantes la première fois.
Maak je geen zorgen als je de eerste keer faalt.
03
planten, vastzetten
installer solidement quelque chose dans le sol
Voorbeelden
Il faut planter les piquets avant de tendre la toile.
Plant de piketten voordat u het doek spant.



























