irriter
01
irriteren, ergeren
provoquer de la colère ou de l'agacement chez quelqu'un
Voorbeelden
Cette remarque l' a beaucoup irrité.
Irriteren betekent woede of ergernis bij iemand opwekken. Die opmerking irriteerde hem erg.
02
zich ergeren, zich irriteren
devenir en colère ou agacé
Voorbeelden
Les enfants s' irritent vite quand ils ont faim.
Kinderen irriteren zich snel als ze honger hebben.
03
irriteren, prikkelen
provoquer une sensation désagréable, souvent de brûlure ou d'inconfort
Voorbeelden
Le savon a irrité sa peau sensible.
De zeep irriteerde haar gevoelige huid.
04
irriteren, ontsteken
provoquer une inflammation ou une réaction dans une partie du corps
Voorbeelden
Certains produits chimiques peuvent irriter les yeux.
Sommige chemicaliën kunnen de ogen irriteren.



























