Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
implanter
01
vestigen, invoeren
créer ou installer quelque chose dans un endroit
Voorbeelden
La société a implanté plusieurs magasins en France.
Het bedrijf heeft verschillende winkels in Frankrijk geïmplementeerd.
02
zich vestigen, wortel schieten
se créer ou s'établir dans un endroit
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
être
1e persoon enkelvoud
implante
1e persoon meervoud
implantons
1e persoon toekomende tijd
implanterai
onvoltooid deelwoord
implantant
voltooid deelwoord
implanté
1e persoon meervoud imperfectum
implantions
Voorbeelden
L' école s' est implantée dans le quartier central.
De school vestigde zich in de centrale wijk.



























