Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
grignoter
01
snoepen, iets lichts eten
manger un peu, sans faire un vrai repas
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
onscheidbaar
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
grignote
1e persoon meervoud
grignotons
1e persoon toekomende tijd
grignoterai
onvoltooid deelwoord
grignotant
voltooid deelwoord
grignoté
1e persoon meervoud imperfectum
grignotions
Voorbeelden
Ils ont grignoté des biscuits pendant le film.
Ze knabbelden koekjes tijdens de film.
02
langzaam winnen, stap voor stap verkrijgen
gagner ou obtenir progressivement, petit à petit
Voorbeelden
Ils grignotent des parts de marché grâce à leur innovation.
Ze knagen marktaandelen weg dankzij hun innovatie.
03
geleidelijk aan afbreken, wegknagen
abîmer ou dégrader progressivement jusqu'à détruire
Voorbeelden
Les insectes ont grignoté les poutres anciennes.
Insecten hebben de oude balken aangevreten.



























