enfoncer
enfoncer
ɑ̃fɔ̃se
aafawse
engoncer

Definitie en betekenis van "enfoncer"in het Frans

enfoncer
01

inbreken, inslaan

faire céder avec force (une porte, une fenêtre) 
enfoncer definition and meaning
Voorbeelden
Les voleurs ont enfoncé la porte d'entrée. 

De dieven braken de voordeur open.

02

verpletteren, vernietigen

vaincre complètement, dominer de manière écrasante 
enfoncer definition and meaning
Voorbeelden
Notre équipe a enfoncé l'adversaire 5-0. 

Ons team heeft de tegenstander 5-0 vernietigd.

03

inslaan, indrijven

faire pénétrer avec force dans quelque chose 
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
enfonce
1e persoon meervoud
enfonçons
1e persoon toekomende tijd
enfoncerai
onvoltooid deelwoord
enfonçant
voltooid deelwoord
enfoncé
1e persoon meervoud imperfectum
enfoncions
Voorbeelden
Il enfonce le clou avec un marteau. 

Hij slaat de spijker in met een hamer.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store