Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
empirer
01
verslechteren, erger worden
devenir plus mauvais ou plus grave
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
toestandswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
empire
1e persoon meervoud
empirons
1e persoon toekomende tijd
empirerai
onvoltooid deelwoord
empirant
voltooid deelwoord
empiré
1e persoon meervoud imperfectum
empirions
Voorbeelden
Les tensions entre voisins ont empiré avec le temps.
De spanningen tussen buren zijn met de tijd verslechterd.
02
verslechteren, verergeren
rendre quelque chose plus mauvais ou plus grave
Voorbeelden
La pluie a empiré les inondations dans la ville.
De regen verergerde de overstromingen in de stad.



























