Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
dérouler
01
plaatsvinden, zich afspelen
avoir lieu, se passer dans le temps
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
ĂȘtre
1e persoon enkelvoud
déroule
1e persoon meervoud
déroulons
1e persoon toekomende tijd
déroulerai
onvoltooid deelwoord
déroulant
voltooid deelwoord
déroulé
1e persoon meervoud imperfectum
déroulions
Voorbeelden
L' accident s' est déroulé prÚs de l' école.
Het ongeluk vond plaats bij de school.
02
stap voor stap uiteenzetten, ontvouwen
présenter ou exposer quelque chose étape par étape
Voorbeelden
Il a déroulé son plan devant le jury.
Hij ontvouwde zijn plan voor de jury.
03
uitrollen, ontrollen
déplier quelque chose enroulé ou roulé
Voorbeelden
Le peintre a déroulé une grande toile.
De schilder rolde een groot doek uit.



























