Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
convenir
01
overeenkomen, geschikt zijn
être d'accord sur quelque chose ou être approprié
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
either
1e persoon enkelvoud
conviens
1e persoon meervoud
convenons
1e persoon toekomende tijd
conviendrai
onvoltooid deelwoord
convenant
voltooid deelwoord
convenu
1e persoon meervoud imperfectum
convenions
Voorbeelden
Comme convenu, je vous envoie les documents ce soir.
Zoals afgesproken, stuur ik u de documenten vanavond.
02
toegeven, erkennen
reconnaître ou admettre quelque chose comme vrai
Voorbeelden
Tu dois convenir de ta part de responsabilité.
Je moet je aandeel in de verantwoordelijkheid erkennen.
03
passen, geschikt zijn
être approprié ou adapté à quelqu'un ou quelque chose
Voorbeelden
L' horaire ne convient pas aux étudiants.
Het rooster past niet bij de studenten.
04
staan, passen
aller bien à quelqu'un en parlant d'un vêtement, d'une couleur, ou d'un style
Voorbeelden
Ce costume te convient parfaitement.
Dit pak staat je perfect.



























