construire
Pronunciation
/kɔ̃stʀɥiʀ/

Definitie en betekenis van "construire"in het Frans

construire
01

bouwen, oprichten

réaliser quelque chose en assemblant des pièces ou des éléments
construire definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
construis
1e persoon meervoud
construisons
1e persoon toekomende tijd
construirai
onvoltooid deelwoord
construisant
voltooid deelwoord
construit
1e persoon meervoud imperfectum
construisions
Voorbeelden
Cette entreprise construit des meubles sur mesure.
Dit bedrijf bouwt op maat gemaakte meubels.
02

bouwen, oprichten

assembler des matériaux pour créer un bâtiment ou une structure physique
construire definition and meaning
Voorbeelden
On va construire une école dans ce quartier.
We gaan een school bouwen in deze buurt.
03

gebouwd worden, opgetrokken worden

devenir un bâtiment ou une structure ; être édifié
construire definition and meaning
Voorbeelden
Cette école s' est construite il y a dix ans.
Deze school werd tien jaar geleden gebouwd.
04

bouwen, opbouwen

former quelque chose de mental, moral ou émotionnel
Voorbeelden
L' enfant construit son identité.
Het kind bouwt zijn identiteit op.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store