Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
balbutier
01
stotteren, hakkelen
avoir du mal à parler clairement, souvent à cause de nervosité ou d'émotion
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
balbutie
1e persoon meervoud
balbutions
1e persoon toekomende tijd
balbutierai
onvoltooid deelwoord
balbutiant
voltooid deelwoord
balbutié
1e persoon meervoud imperfectum
balbutiions
Voorbeelden
Les enfants balbutient en apprenant à parler.
Kinderen stotteren wanneer ze leren spreken.
02
stotteren, moeizaam beginnen
débuter avec des difficultés, avancer lentement ou timidement
Voorbeelden
Le roman balbutie avec ses premières phrases.
De roman stottert met zijn eerste zinnen.



























