Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
balader
01
wandelen, slenteren
se promener sans but précis, pour le plaisir
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
être
1e persoon enkelvoud
balade
1e persoon meervoud
baladons
1e persoon toekomende tijd
baladerai
onvoltooid deelwoord
baladant
voltooid deelwoord
baladé
1e persoon meervoud imperfectum
baladions
Voorbeelden
Je me balade souvent à vélo le dimanche.
Ik wandel vaak op zondag met de fiets.



























