Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
affirmer
01
beweren, verklaren
déclarer quelque chose avec certitude ou conviction
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
affirme
1e persoon meervoud
affirmons
1e persoon toekomende tijd
affirmerai
onvoltooid deelwoord
affirmant
voltooid deelwoord
affirmé
1e persoon meervoud imperfectum
affirmions
Voorbeelden
Le témoin a affirmé les faits avec confiance.
De getuige beweerde de feiten met vertrouwen.
02
beweren, bewijzen
prouver la vérité ou la réalité de quelque chose
Voorbeelden
Le rapport affirme l' efficacité du nouveau traitement.
Het rapport bevestigt de effectiviteit van de nieuwe behandeling.
03
zichzelf bevestigen, zichzelf vestigen
se montrer avec assurance, renforcer sa position ou sa personnalité
Voorbeelden
Le jeune artiste s' affirme grâce à ses œuvres originales.
De jonge kunstenaar bevestigt zichzelf dankzij zijn originele werken.



























