Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
affirmer
01
beweren, verklaren
déclarer quelque chose avec certitude ou conviction
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
affirme
1e persoon meervoud
affirmons
1e persoon toekomende tijd
affirmerai
onvoltooid deelwoord
affirmant
voltooid deelwoord
affirmé
1e persoon meervoud imperfectum
affirmions
Voorbeelden
Il affirme qu'il a vu le suspect hier soir.
Beweert dat hij de verdachte gisteravond heeft gezien.
02
beweren, bewijzen
prouver la vérité ou la réalité de quelque chose
Voorbeelden
Cette découverte affirme la théorie du chercheur.
Deze ontdekking bevestigt de theorie van de onderzoeker.
03
zichzelf bevestigen, zichzelf vestigen
se montrer avec assurance, renforcer sa position ou sa personnalité
Voorbeelden
Elle s'affirme de plus en plus dans son rôle de leader.
Ze bevestigt zichzelf steeds meer in haar leiderschapsrol.



























