Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
alarmar
01
alarmeren, zorgen baren
causar miedo, preocupación o inquietud en alguien
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
1e persoon enkelvoud
alarmo
3e persoon enkelvoud
alarma
onvoltooid deelwoord
alarmando
onvoltooid verleden tijd
alarmó
voltooid deelwoord
alarmado
Voorbeelden
El aumento de casos de gripe alarmó a las autoridades.
De toename van griepgevallen alarmeerde de autoriteiten.
02
alarmeren, waarschuwen
avisar o advertir sobre un peligro o situación
Voorbeelden
Los científicos alarmaron al público sobre el aumento del nivel del mar.
De wetenschappers waarschuwden het publiek voor de stijgende zeespiegel.
03
zich ongerust maken
sentir miedo, preocupación o inquietud
Voorbeelden
No hay razón para alarmarse por un retraso menor.
Er is geen reden om je zorgen te maken over een kleine vertraging.



























