Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
acentuar
01
benadrukken, onderstrepen
dar énfasis o importancia a algo
Voorbeelden
El autor acentúa el conflicto social en su novela.
De auteur benadrukt het sociale conflict in zijn roman.
02
benadrukken, accentueren
dar énfasis a una sílaba en la pronunciación de una palabra
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
acentúo
3e persoon enkelvoud
acentúa
onvoltooid deelwoord
acentuando
onvoltooid verleden tijd
acentuó
voltooid deelwoord
acentuado
Voorbeelden
Al pronunciar, acentuó la última sílaba.
Bij het uitspreken benadrukte hij de laatste lettergreep.
03
beklemtoond worden
tomar o recibir el acento prosódico una sílaba o palabra
Voorbeelden
En la pronunciación, ciertas palabras se acentúan más que otras.
In de uitspraak worden sommige woorden meer beklemtoond dan andere.
04
zich accentueren, duidelijker worden
hacerse más evidente o destacado un rasgo o situación
Voorbeelden
Su carácter se acentuó durante la crisis.
Zijn karakter accentueerde zich tijdens de crisis.



























