Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
acercar
01
naderen
moverse o ir hacia un lugar o persona para reducir la distancia
Voorbeelden
Nos acercamos lentamente al edificio.
We naderen langzaam het gebouw.
02
naderen
hacer que algo o alguien esté más cerca en distancia o relación
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
acercó
3e persoon enkelvoud
acerca
onvoltooid deelwoord
acercando
onvoltooid verleden tijd
acercó
voltooid deelwoord
acercado
Voorbeelden
Acercaron el coche a la entrada.
Ze brachten de auto dichter bij de ingang.
03
brengen, afzetten
llevar a alguien en vehículo hasta un lugar cercano o determinado
Voorbeelden
Te acerco a casa si quieres.
Ik breng je naar huis als je wilt.



























