Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
pinchar
[past form: pinché][present form: pincho]
01
een lekke band krijgen, plakken
hacer que una rueda pierda aire por un agujero o pinchazo
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
pincho
3e persoon enkelvoud
pincha
onvoltooid deelwoord
pinchando
onvoltooid verleden tijd
pinché
voltooid deelwoord
pinchado
Voorbeelden
Pinchar una rueda es muy común en caminos con piedras.
Lek prikken is heel gebruikelijk op wegen met stenen.
02
zich injecteren, zich prikken
inyectarse una sustancia en el cuerpo con una aguja
Voorbeelden
Es importante que te pinches con una aguja limpia.
Het is belangrijk dat je jezelf prikt met een schone naald.
03
lek raken, platten
romperse o perforarse una rueda causando una pérdida de aire
Voorbeelden
Cuando se pinchó, cambié la rueda rápidamente.
Toen lek (barsten of lek raken van een band waardoor luchtverlies ontstaat), wisselde ik snel de band.
04
klikken
hacer clic en un elemento digital con un dispositivo señalador
Voorbeelden
El usuario pinchó en el icono.
De gebruiker klikte op het pictogram.



























