Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
hacer
[past form: hice][present form: hago]
01
doen
realizar una acción
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
1e persoon enkelvoud
hago
3e persoon enkelvoud
hace
onvoltooid deelwoord
haciendo
onvoltooid verleden tijd
hice
voltooid deelwoord
hecho
Voorbeelden
Nosotros hacemos un proyecto en la escuela.
Wij doen een project op school.
02
voorbereiden, scheppen
preparar o crear algo
Voorbeelden
¿ Haces la cena esta noche?
Maak jij vanavond het avondeten ?
03
maken
producir, crear o construir algo
Voorbeelden
Me gusta hacer manualidades en mi tiempo libre.
Ik vind het leuk om in mijn vrije tijd handwerk te maken.
04
maken, veroorzaken
provocar que algo suceda o que alguien actúe de cierta manera
Voorbeelden
El accidente hizo que cerraran la carretera.
Het ongeluk heeft ertoe geleid dat ze de weg hebben gesloten.
05
worden
cambiar de estado, profesión o situación
Voorbeelden
Nos hicimos amigos en la universidad.
We werden vrienden op de universiteit.
06
doen
verbo impersonal usado para indicar la duración transcurrida de algo
Voorbeelden
Hace mucho que no hablamos.
Het is lang geleden dat we gesproken hebben.
07
zijn
verbo impersonal usado para describir condiciones meteorológicas
Voorbeelden
Hace sol durante el día.
Het is zonnig gedurende de dag.



























