Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
vivir
[past form: viví][present form: vivo]
01
wonen
residir o habitar en un lugar
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
vivo
3e persoon enkelvoud
vive
onvoltooid deelwoord
viviendo
onvoltooid verleden tijd
viví
voltooid deelwoord
vivido
Voorbeelden
Mis padres viven en el extranjero.
Mijn ouders wonen in het buitenland.
02
leven
tener vida o mantenerse con vida
Voorbeelden
Las plantas viven con sol y agua.
Planten leven met zon en water.



























