vivir
Pronunciation
/biβˈiɾ/

Definitie en betekenis van "vivir"in het Spaans

vivir
[past form: viví][present form: vivo]
01

wonen

residir o habitar en un lugar
vivir definition and meaning
Voorbeelden
Mis padres viven en el extranjero.
Mijn ouders wonen in het buitenland.
02

leven

tener vida o mantenerse con vida
vivir definition and meaning
Voorbeelden
Las plantas viven con sol y agua.
Planten leven met zon en water.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store