Zoeken
vivir
[past form: viví][present form: vivo]
01
wonen
residir o habitar en un lugar
Voorbeelden
Mis padres viven en el extranjero.
Mijn ouders wonen in het buitenland.
02
leven
tener vida o mantenerse con vida
Voorbeelden
Las plantas viven con sol y agua.
Planten leven met zon en water.



























