Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to intend
01
van plan zijn, intenderen
to have something in mind as a plan or purpose
Transitive: to intend to do sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
intend
3e persoon enkelvoud
intends
onvoltooid deelwoord
intending
onvoltooid verleden tijd
intended
voltooid deelwoord
intended
Voorbeelden
She intends to travel abroad next summer.
Ze is van plan volgend jaar naar het buitenland te reizen.
02
van plan zijn, plannen
to plan or create something with a particular purpose or future use in mind
Ditransitive: to intend sth to do sth
Voorbeelden
The architect intended the building to serve as both a residence and a workspace.
De architect bedoelde dat het gebouw zowel als woning als werkplek zou dienen.
03
bedoelen, van plan zijn
to mean for a remark or action to express a particular attitude or feeling
Transitive: to intend an attitude or feeling
Voorbeelden
She didn’t intend any harm when she made that comment.
Ze bedoelde geen kwaad toen ze die opmerking maakte.
Lexicale Boom
intended
intend



























