Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to instruct
01
instructeren, onderwijzen
to guide someone by providing information, training, or advice, helping them acquire new skills or understand a specific subject
Transitive: to instruct sb in a skill or subject
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
instruct
3e persoon enkelvoud
instructs
onvoltooid deelwoord
instructing
onvoltooid verleden tijd
instructed
voltooid deelwoord
instructed
Voorbeelden
The yoga instructor carefully instructed the class in various poses to enhance flexibility and strength.
De yogaleraar instrueerde de klas zorgvuldig in verschillende houdingen om flexibiliteit en kracht te verbeteren.
Voorbeelden
The teacher instructed the students to turn in their homework assignments by Friday.
De leraar instructeerde de leerlingen om hun huiswerkopdrachten voor vrijdag in te leveren.
Voorbeelden
The participants were instructed that the workshop venue had been relocated to the conference center.
De deelnemers werd geïnstrueerd dat de locatie van de workshop was verplaatst naar het conferentiecentrum.
Lexicale Boom
instruction
instructive
instructor
instruct



























