infect
in
ɪn
in
fect
ˈfɛkt
fekt
British pronunciation
/ɪnˈfɛkt/

Definitie en betekenis van "infect"in het Engels

to infect
01

infecteren, besmetten

to transmit a disease to a person, animal, or plant
Transitive: to infect sb
to infect definition and meaning
example
Voorbeelden
Healthcare workers take precautions to avoid infecting patients while providing medical care.
Zorgverleners nemen voorzorgsmaatregelen om te voorkomen dat ze patiënten besmetten tijdens het verlenen van medische zorg.
02

infecteren, verontreinigen

to contaminate air, water, or other substances with harmful bacteria, viruses, or other organisms
Transitive: to infect air or water
example
Voorbeelden
The flu virus can infect the air, spreading quickly in crowded places.
Het griepvirus kan de lucht infecteren, waardoor het zich snel verspreidt op drukke plaatsen.
03

besmetten, infecteren

to spread an emotion, attitude, or quality from one person or thing to another
Transitive: to infect sb
example
Voorbeelden
The child 's enthusiasm for the project infected her classmates.
Het enthousiasme van het kind voor het project besmette haar klasgenoten.
04

besmetten, infecteren

to corrupt or influence someone or something with a particular idea, belief, or ideology, often in a contagious or spreading manner
Transitive: to infect sb
example
Voorbeelden
A sense of urgency began to infect the group as the deadline approached.
Een gevoel van urgentie begon de groep te besmetten naarmate de deadline naderde.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

stars

app store