Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to infect
01
infecteren, besmetten
to transmit a disease to a person, animal, or plant
Transitive: to infect sb
Voorbeelden
Healthcare workers take precautions to avoid infecting patients while providing medical care.
Zorgverleners nemen voorzorgsmaatregelen om te voorkomen dat ze patiënten besmetten tijdens het verlenen van medische zorg.
02
infecteren, verontreinigen
to contaminate air, water, or other substances with harmful bacteria, viruses, or other organisms
Transitive: to infect air or water
Voorbeelden
The flu virus can infect the air, spreading quickly in crowded places.
Het griepvirus kan de lucht infecteren, waardoor het zich snel verspreidt op drukke plaatsen.
03
besmetten, infecteren
to spread an emotion, attitude, or quality from one person or thing to another
Transitive: to infect sb
Voorbeelden
The child 's enthusiasm for the project infected her classmates.
Het enthousiasme van het kind voor het project besmette haar klasgenoten.
04
besmetten, infecteren
to corrupt or influence someone or something with a particular idea, belief, or ideology, often in a contagious or spreading manner
Transitive: to infect sb
Voorbeelden
A sense of urgency began to infect the group as the deadline approached.
Een gevoel van urgentie begon de groep te besmetten naarmate de deadline naderde.
Lexicale Boom
disinfect
infected
infection
infect



























