to infect
in
ɪn
in
fect
ˈfɛkt
fekt
inflectinfestinjectinsect

Definitie en betekenis van "infect"in het Engels

to infect
01

infecteren, besmetten

to transmit a disease to a person, animal, or plant 
Transitive: to infect sb
to infect definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
infect
3e persoon enkelvoud
infects
onvoltooid deelwoord
infecting
onvoltooid verleden tijd
infected
voltooid deelwoord
infected
Voorbeelden
Contaminated water sources can infect individuals with waterborne diseases. 

Verontreinigde waterbronnen kunnen individuen infecteren met door water overgedragen ziekten.

02

infecteren, verontreinigen

to contaminate air, water, or other substances with harmful bacteria, viruses, or other organisms 
Transitive: to infect air or water
Voorbeelden
The factory’s waste was found to infect the nearby river with dangerous chemicals. 

Het afval van de fabriek bleek de nabijgelegen rivier met gevaarlijke chemicaliën te besmetten.

03

besmetten, infecteren

to spread an emotion, attitude, or quality from one person or thing to another 
Transitive: to infect sb
Voorbeelden
Her laughter infected everyone in the room, and soon they were all giggling uncontrollably. 

Haar gelach besmette iedereen in de kamer, en al snel lachten ze allemaal onbedaarlijk.

04

besmetten, infecteren

to corrupt or influence someone or something with a particular idea, belief, or ideology, often in a contagious or spreading manner 
Transitive: to infect sb
Voorbeelden
The internet can easily infect young people with harmful ideologies. 

Het internet kan jongeren gemakkelijk besmetten met schadelijke ideologieën.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store