Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to ignite
01
ontsteken, aansteken
to cause something to catch fire
Transitive: to ignite sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
ignite
3e persoon enkelvoud
ignites
onvoltooid deelwoord
igniting
onvoltooid verleden tijd
ignited
voltooid deelwoord
ignited
Voorbeelden
He ignited the gas stove with a flick of the lighter.
Hij ontstak het gasfornuis met een tik van de aansteker.
02
ontsteken, aanwakkeren
to spark or intensify a feeling or situation
Transitive: to ignite an emotion or reaction
Voorbeelden
His words ignited a sense of anger among the crowd.
Zijn woorden ontketenden een gevoel van woede onder de menigte.
03
ontbranden, vlam vatten
to catch fire or to begin burning spontaneously
Intransitive
Voorbeelden
The dry leaves began to ignite as the sun's rays intensified.
De droge bladeren begonnen te ontbranden toen de zonnestralen intenser werden.
Lexicale Boom
ignitable
ignited
igniter
ignite



























