Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to go by
[phrase form: go]
01
voorbijgaan, verstrijken
to pass a certain point in time
Intransitive
Voorbeelden
Time seemed to go by faster during our vacation.
De tijd leek sneller voorbij te gaan tijdens onze vakantie.
02
voorbijgaan, passeren
to pass by someone or something
Intransitive
Voorbeelden
I enjoyed watching the boats go by at the harbor.
Ik genoot ervan om de boten in de haven voorbij te zien gaan.
03
bekend staan als, zich laten noemen
to be known or referred to by a specific name or title
Transitive: to go by a name or title
Voorbeelden
She goes by the stage name ' Bella' when performing as a singer.
Ze staat bekend onder de artiestennaam 'Bella' wanneer ze optreedt als zangeres.
04
zich houden aan, volgen
to adhere to or follow a specific standard, guideline, or principle
Transitive: to go by a standard or guideline
Voorbeelden
In cooking, you need to go by the recipe if you want to create the dish accurately.
Bij het koken moet je het recept volgen als je het gerecht nauwkeurig wilt bereiden.
05
zich baseren op, vertrouwen op
to form an opinion or judgement based on the information or experience one already has
Transitive: to go by available information or experience
Voorbeelden
She did n't meet him in person but had to go by what she had heard from others.
Ze heeft hem niet persoonlijk ontmoet, maar moest afgaan op wat ze van anderen had gehoord.



























