Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to conflict
01
botsen, in conflict zijn
(of two ideas, opinions, etc.) to oppose each other
Intransitive: to conflict with sth | to conflict
Voorbeelden
The two theories presented in the debate conflict with each other.
De twee theorieën die in het debat werden gepresenteerd, botsen met elkaar.
Conflict
01
conflict, meningsverschil
a disagreement or argument over something important
Voorbeelden
Their conflict was resolved through negotiation.
Hun conflict werd opgelost door onderhandeling.
1.1
conflict, botsing
an open clash or struggle between opposing groups or individuals
1.2
conflict, gevecht
a hostile encounter between armed forces during a war
Voorbeelden
International observers monitored the conflict closely.
Internationale waarnemers volgden het conflict op de voet.
1.3
conflict, innerlijke strijd
tension or opposition between two simultaneous, incompatible feelings
Voorbeelden
She struggled with the conflict between hope and doubt.
Ze worstelde met het conflict tussen hoop en twijfel.
1.4
conflict, tegenstelling
opposition between characters or forces in a story that drives the plot
Voorbeelden
Literary conflict often highlights a character's growth.
Literair conflict benadrukt vaak de groei van een personage.
1.5
conflict, tegenstelling
an instance of serious opposition between ideas, values, or interests
Voorbeelden
He wrote about the conflict between personal beliefs and professional responsibilities.
Hij schreef over het conflict tussen persoonlijke overtuigingen en professionele verantwoordelijkheden.
02
agendaconflict, planningconflict
a clash or overlap between dates, times, or scheduled events
Lexicale Boom
conflicted
conflicting
conflict



























