Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to affect
01
beïnvloeden, veranderen
to cause a change in a person, thing, etc.
Transitive: to affect sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
affect
3e persoon enkelvoud
affects
onvoltooid deelwoord
affecting
onvoltooid verleden tijd
affected
voltooid deelwoord
affected
Voorbeelden
The economic downturn is expected to affect businesses across various sectors.
De economische neergang zal naar verwachting bedrijven in verschillende sectoren beïnvloeden.
02
beïnvloeden, ziek maken
to cause illness or medical conditions in an individual
Transitive: to affect sb
Voorbeelden
Certain lifestyle choices, like smoking, can significantly affect one's health.
Bepaalde levensstijlkeuzes, zoals roken, kunnen iemands gezondheid aanzienlijk beïnvloeden.
03
veinzen, tonen
to display or express an emotion, attitude, or demeanor that is not genuinely felt
Transitive: to affect an emotion or attitude
Voorbeelden
In social situations, he would often affect interest in topics that did n't genuinely captivate him.
In sociale situaties veinsde hij vaak interesse in onderwerpen die hem niet echt boeiden.
04
beïnvloeden, roeren
to produce an emotional or cognitive influence or impact on someone or something
Transitive: to affect sb
Voorbeelden
The heartfelt reunion scene in the movie deeply affected the audience, evoking tears of joy and nostalgia.
De hartverwarmende herenigingsscène in de film heeft het publiek diep beïnvloed, waardoor tranen van vreugde en nostalgie werden opgewekt.
Affect
01
affect, emotie
the conscious subjective aspect of feeling or emotion
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
ontelbaar
meervoudsvorm
affects
Lexicale Boom
affected
affecting
affection
affect



























