Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to acquit
01
vrijspreken, onschuldig verklaren
to officially decide and declare in a law court that someone is not guilty of a crime
Transitive: to acquit a defendant
Voorbeelden
Last month, the court acquitted the accused after a thorough trial.
Vorige maand heeft de rechtbank de beschuldigde na een grondig proces vrijgesproken.
02
zich gedragen, zich van zijn taak kwijten
to behave or perform in a particular manner
Transitive: to acquit oneself in a specific manner
Voorbeelden
The student acquitted himself admirably in the final exam, earning top marks.
De student gedroeg zich bewonderenswaardig tijdens het eindexamen en behaalde de hoogste cijfers.
Lexicale Boom
acquitted
acquit



























