to acquit
Pronunciation
/əˈkwɪt/

Definitie en betekenis van "acquit"in het Engels

to acquit
01

vrijspreken, onschuldig verklaren

to officially decide and declare in a law court that someone is not guilty of a crime
Transitive: to acquit a defendant
to acquit definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
acquit
3e persoon enkelvoud
acquits
onvoltooid deelwoord
acquitting
onvoltooid verleden tijd
acquitted
voltooid deelwoord
acquitted
Voorbeelden
Last month, the court acquitted the accused after a thorough trial.
Vorige maand heeft de rechtbank de beschuldigde na een grondig proces vrijgesproken.
02

zich gedragen, zich van zijn taak kwijten

to behave or perform in a particular manner
Transitive: to acquit oneself in a specific manner
Voorbeelden
The student acquitted himself admirably in the final exam, earning top marks.
De student gedroeg zich bewonderenswaardig tijdens het eindexamen en behaalde de hoogste cijfers.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store