Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to shut
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
onregelmatig
tegenwoordige tijd
shut
3e persoon enkelvoud
shuts
onvoltooid deelwoord
shutting
onvoltooid verleden tijd
shut
voltooid deelwoord
shut
Voorbeelden
The caretaker shuts the gates to the park every evening.
De conciërge sluit elke avond de poorten van het park.
Voorbeelden
As the train departed, the doors shut automatically, ensuring passenger safety.
Toen de trein vertrok, sloten de deuren automatisch, wat de veiligheid van de passagiers verzekerde.
03
sluiten, blokkeren
to close off or block access to a place or route, preventing passage
Transitive: to shut a place or route
Voorbeelden
During the parade, the police shut the streets to ensure the safety of participants and spectators.
Tijdens de parade sloot de politie de straten af om de veiligheid van deelnemers en toeschouwers te waarborgen.
04
sluiten, afsluiten
to close a store or business, often at the end of the day or permanently
Intransitive: to shut point in time
Transitive: to shut a store or business | to shut a store or business point in time
Voorbeelden
He shut his business after 20 years of service.
Hij sloot zijn bedrijf na 20 jaar dienst.
01
gesloten, afgesloten
closed or not open
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
voltooid-deelwoordelijk bijvoeglijk naamwoord
kwalitatief
overtreffende trap
most shut
vergrotende trap
more shut
gradueerbaar
Voorbeelden
The shop was shut for renovations all week.
De winkel was de hele week gesloten voor renovaties.



























