Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
prijs, beloning
anything that is given as a reward to someone who has done very good work or to the winner of a contest, game of chance, etc.
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
prizes
Voorbeelden
The grand prize for the raffle was a luxury vacation package to a tropical island.
De hoofdprijs van de loterij was een luxe vakantiepakket naar een tropisch eiland.
02
prijs, trofee
something given as a token of victory
03
buit, diefstal
goods or money obtained illegally
to prize
01
waarderen, koesteren
to highly value something
Transitive: to prize sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
toestandswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
prize
3e persoon enkelvoud
prizes
onvoltooid deelwoord
prizing
onvoltooid verleden tijd
prized
voltooid deelwoord
prized
Voorbeelden
We should prize the beauty of nature and work towards its preservation.
We moeten de schoonheid van de natuur koesteren en werken aan het behoud ervan.
02
openwrikken, optillen
to use a tool or force to move something open or apart
Complex Transitive: to prize sth [adj]
Voorbeelden
She prized the stone loose from the crack in the wall.
Ze wrikte de steen los uit de scheur in de muur.
01
bekroond, gepremieerd
valued for being exceptional or of high quality
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
kwalitatief
overtreffende trap
prizest
vergrotende trap
prizer
gradueerbaar
Voorbeelden
The school ’s prize student earned top honors.
De geprezen student van de school verdiende de hoogste eer.



























