Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to pelt
01
bekogelen, bombarderen
to vigorously and continuously throw objects, often with force or intensity
Transitive: to pelt sb/sth with sth
Voorbeelden
Kids playfully pelted each other with snowballs during the winter recess.
De kinderen bekogelden elkaar speels met sneeuwballen tijdens de winterpauze.
02
racen, scheren
to move swiftly and with great speed, often in a hasty or urgent manner
Intransitive: to pelt somewhere
Voorbeelden
The children, excited to join the game, pelted across the playground.
De kinderen, opgewonden om mee te doen met het spel, renden over de speelplaats.
03
neerkletteren, krachtig vallen
(of rain, snow, or hail) to descend rapidly and forcefully
Transitive: to pelt sth
Voorbeelden
Dark clouds gathered, and a torrential downpour ensued, with rain pelting the rooftop.
Donkere wolken verzamelden zich, en een stortbui volgde, met regen die op het dak kletterde.
01
vel, vacht
the skin of an animal with the fur, wool, or hair still covering it
Voorbeelden
Inuit hunters skillfully crafted warm clothing and shelters from the waterproof sealskin pelts of marine mammals.
Inuit-jagers maakten vaardig warme kleding en onderkomens van de waterdichte vachten van zeezoogdieren.
02
an animal's natural covering of fur, wool, or hair
Voorbeelden
Arctic foxes grow a white pelt in winter for camouflage.
Lexicale Boom
pelter
pelting
pelt



























