Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Lavender
01
lavendel, een plant met paarse bloemen en een aangename geur
a type of plant with purple flowers and a fine smell
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
lavenders
Voorbeelden
She added a few sprigs of lavender to the bouquet for a touch of elegance and fragrance.
Ze voegde een paar takjes lavendel toe aan het boeket voor een vleugje elegantie en geur.
02
lavendel, lavendelkleur
a pale, soft shade of purple that resembles the color of lavender flowers
Voorbeelden
The artist mixed lavender into her palette to achieve the perfect shade for the sunset scene.
De kunstenaar mengde lavendel in haar palet om de perfecte tint te bereiken voor de zonsondergangscène.
lavender
01
lavendel
having a pale purple color
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
kwalitatief
overtreffende trap
most lavender
vergrotende trap
more lavender
gradueerbaar
Voorbeelden
Her favorite scarf was made of soft lavender wool.
Haar favoriete sjaal was gemaakt van zachte lavendel wol.
02
lavendel, met lavendelgeur
having a quality reminiscent of the lavender plant
Voorbeelden
The lavender-scented candles created a tranquil atmosphere during the evening.
De lavendel geurige kaarsen creëerden een rustige sfeer tijdens de avond.
to lavender
01
parfumeren met lavendel, geuren met lavendel
to perfume or scent with lavender
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
lavender
3e persoon enkelvoud
lavenders
onvoltooid deelwoord
lavendering
onvoltooid verleden tijd
lavendered
voltooid deelwoord
lavendered
Voorbeelden
They lavendered the pillowcases for a soothing night's sleep.
Ze lavendelden de kussenslopen voor een rustgevende nachtrust.



























