Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
überspringen
01
overspringen, springen
Sich plötzlich von einem Punkt zum anderen bewegen, oft durch Springen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
bewegingswerkwoord
onregelmatig
onscheidbaar
partikel
über
basiswerkwoord
springen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
überspringe
3e persoon enkelvoud
überspringt
onvoltooid deelwoord
überspringend
onvoltooid verleden tijd
übersprang
voltooid deelwoord
übersprungen
Voorbeelden
Die Katze übersprang geschickt den Zaun.
Overspringen helpt om plotseling van het ene punt naar het andere te bewegen, vaak door te springen.
02
overslaan, overspringen
Etwas auslassen oder bewusst nicht beachten
Voorbeelden
Man darf wichtige Details nicht überspringen.
Je mag belangrijke details niet overslaan.



























