Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
übertreten
[past form: übertrat]
01
overtreden, schenden
Gegen eine Regel, ein Gesetz oder eine Vorschrift verstoßen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
onregelmatig
onscheidbaar
partikel
über
basiswerkwoord
treten
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
übertrete
3e persoon enkelvoud
übertritt
onvoltooid deelwoord
übertretend
onvoltooid verleden tijd
übertrat
voltooid deelwoord
übertreten
Voorbeelden
Sie haben das Gesetz übertreten.
Zij hebben de wet overtreden.
02
rebelleren, in opstand komen
Sich gegen etwas erheben oder rebellieren
Voorbeelden
Er übertrat gegen die Autorität seines Vaters.
Hij overtrad tegen het gezag van zijn vader.
03
bekeerd worden, toetreden tot
Zu einer anderen Gruppe, Religion oder Organisation wechseln
Voorbeelden
Er trat vom Christentum zum Buddhismus über.
Hij ging over van het christendom naar het boeddhisme.



























