Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
verlaufen
01
verdwalen
Den Weg verlieren
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
onscheidbaar
partikel
ver
basiswerkwoord
laufen
hulpwerkwoord
either
1e persoon enkelvoud
verlaufe
3e persoon enkelvoud
verläuft
onvoltooid deelwoord
verlaufend
onvoltooid verleden tijd
verlief
voltooid deelwoord
verlaufen
Voorbeelden
Die Kinder haben sich im Park verlaufen.
De kinderen zijn verdwaald in het park.
02
lopen, zich uitstrekken
Eine Richtung oder Verlauf haben
Voorbeelden
Die Autobahn verläuft parallel zur Küste.
De autosnelweg loopt parallel aan de kust.



























