Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
umgehen
01
vermijden, ontwijken
Einer Sache ausweichen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
onscheidbaar
partikel
um
basiswerkwoord
gehen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
umgehe
3e persoon enkelvoud
umgeht
onvoltooid deelwoord
umgehend
onvoltooid verleden tijd
umging
voltooid deelwoord
umgangen
Voorbeelden
Der Politiker umging das Thema Korruption.
De politicus omzeilde het onderwerp corruptie.
02
omgaan met, beheren
Mit jemandem oder etwas in bestimmter Weise interagieren
Voorbeelden
Wir müssen lernen, mit Kritik umzugehen.
We moeten leren om met kritiek om te gaan.
03
circuleren, zich verspreiden
Sich verbreiten
Voorbeelden
In der Stadt geht die Angst um.
In de stad verspreidt de angst zich.
04
rondwaren
Als Geist oder Gespenst an einem Ort erscheinen
Voorbeelden
Wir müssen einen Weg finden, das Verkehrschaos zu umgehen.
We moeten een manier vinden om het verkeerschaos te vermijden.



























