Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
umdrehen
01
omdraaien, zich omkeren
Den Körper oder Kopf in eine andere Richtung wenden
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
bewegingswerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
um
basiswerkwoord
drehen
hulpwerkwoord
either
1e persoon enkelvoud
drehe um
3e persoon enkelvoud
dreht um
onvoltooid deelwoord
umdrehend
onvoltooid verleden tijd
drehte um
voltooid deelwoord
umgedreht
Voorbeelden
Er drehte sich im Bett um und schlief weiter.
Hij draaide zich om in bed en bleef slapen.
02
omdraaien, omkeren
Ein Objekt in eine andere Richtung drehen
Voorbeelden
Er drehte das Schild um, sodass man es nicht mehr lesen konnte.
Hij draaide het bord om, zodat het niet meer te lezen was.



























