Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
umarmen
[past form: umarmte]
01
omhelzen, knuffelen
Jemanden mit den Armen zu umschließen, um Zuneigung, Trost oder Freude auszudrücken
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
umarme
3e persoon enkelvoud
umarmt
onvoltooid deelwoord
umarmend
onvoltooid verleden tijd
umarmte
voltooid deelwoord
umarmt
Voorbeelden
Nach dem langen Flug wollte er seine Familie umarmen.
Na de lange vlucht wilde hij zijn familie omarmen.



























