Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
schneiden
01
snijden
Etwas mit einem scharfen Gegenstand in Teile trennen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
schneide
3e persoon enkelvoud
schneidet
onvoltooid deelwoord
schneidend
onvoltooid verleden tijd
schnitt
voltooid deelwoord
geschnitten
Voorbeelden
Er hat den Käse in Stücke geschnitten.
Hij heeft de kaas in stukken gesneden.
02
knippen
Die Haare kürzen
Voorbeelden
Schneidest du dir die Haare selbst?
Knip je je eigen haar?
03
zich snijden, zich verwonden bij het snijden
Sich mit etwas Scharfem verletzen
Voorbeelden
Er schneidet sich oft beim Rasieren.
Hij snijdt zichzelf vaak tijdens het scheren.



























