Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
nennen
[past form: nannte]
01
noemen, benoemen
Eine Person oder Sache mit einem bestimmten Namen bezeichnen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
onregelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
nenne
3e persoon enkelvoud
nennt
onvoltooid deelwoord
nennend
onvoltooid verleden tijd
nannte
voltooid deelwoord
genannt
Voorbeelden
Er nennt die wichtigsten Gründe.
Hij noemt de belangrijkste redenen.
02
vermelden, noemen
Etwas erwähnen oder auf etwas aufmerksam machen
Voorbeelden
Sie nennt das Problem deutlich.
Ze noemt het probleem duidelijk.
03
zich noemen
Sich selbst mit einem bestimmten Namen bezeichnen
Voorbeelden
Sie nennen sich Freunde.
Zij noemen zichzelf vrienden.



























