Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
knurren
01
grommen, mopperen
Ein tiefes, unfreundliches Geräusch machen, oft von Tieren
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
knurre
3e persoon enkelvoud
knurrt
onvoltooid deelwoord
knurrend
onvoltooid verleden tijd
knurrte
voltooid deelwoord
geknurrt
Voorbeelden
Man hört den Fuchs in der Nacht knurren.
Je hoort de vos 's nachts grommen.
02
mopperen
sich leise und ärgerlich beschweren
Voorbeelden
Der Mann knurrte unzufrieden vor sich hin.
De man mompelde ontevreden voor zich uit.
03
rommelen, grommen
ein tiefes Geräusch machen, meist vor Hunger, besonders vom Magen
Voorbeelden
Man hörte ihr den knurrenden Magen an.
Je kon haar maag horen knorren.



























