Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
blöken
[past form: blökte]
01
blaten, blaten
Der Laut, den Schafe oder Ziegen machen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
blöke
3e persoon enkelvoud
blökt
onvoltooid deelwoord
blökend
onvoltooid verleden tijd
blökte
voltooid deelwoord
geblökt
Voorbeelden
Man hört die Ziegen laut blöken.
Je hoort de geiten luid blaten.



























