Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
ausrichten
01
doorgeven, overbrengen
Jemandem eine Nachricht oder Information übermitteln
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
richten
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
richte aus
3e persoon enkelvoud
richtet aus
onvoltooid deelwoord
ausrichtend
onvoltooid verleden tijd
richtete aus
voltooid deelwoord
ausgerichtet
Voorbeelden
Ich werde deine Grüße an sie ausrichten.
Ik zal je groeten aan haar overbrengen.
02
uitlijnen, oriënteren
Etwas an einer bestimmten Referenz oder Richtung orientieren
Voorbeelden
Er richtete sein Handeln an den Werten seines Vaters aus.
Hij richtte zijn handelen af op de waarden van zijn vader.



























