Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
auslegen
[past form: legte aus]
01
interpreteren, uitleggen
Einen Text, eine Regel oder eine Aussage erklären oder interpretieren
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
legen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
lege aus
3e persoon enkelvoud
legt aus
onvoltooid deelwoord
auslegend
onvoltooid verleden tijd
legte aus
voltooid deelwoord
ausgelegt
Voorbeelden
Experten legen den Vertrag unterschiedlich aus.
Deskundigen interpreteren het contract verschillend.



























