Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
ausleben
01
zich vrij uiten, leven ten volle
Seine Persönlichkeit, Kreativität oder Bedürfnisse frei und ohne Einschränkungen ausdrücken oder entfalten
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
leben
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
lebe aus
3e persoon enkelvoud
lebt aus
onvoltooid deelwoord
auslebend
onvoltooid verleden tijd
lebte aus
voltooid deelwoord
ausgelebt
Voorbeelden
Als Schauspieler lebe ich mich auf der Bühne aus.
Als acteur uit ik me volledig op het podium.



























