Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Le train
01
trein, spoorwegtrein
véhicule composé de plusieurs wagons reliés, circulant sur des rails pour transporter des passagers ou des marchandises
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
trains
Voorbeelden
Le train est en retard aujourd'hui.
De trein is vandaag te laat.
02
proces, verloop
développement ou déroulement progressif d'une action ou d'un phénomène
Voorbeelden
Le train des événements a surpris tout le monde.
Het verloop van de gebeurtenissen verraste iedereen.
03
beweging, verplaatsing
action de se déplacer ou de bouger
Voorbeelden
Le train des idées change vite.
De beweging van ideeën verandert snel.



























