Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
rejoindre
01
deelnemen, toetreden
aller vers quelqu'un ou un groupe pour être avec eux
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
rejoins
1e persoon meervoud
rejoignons
1e persoon toekomende tijd
rejoindrai
onvoltooid deelwoord
rejoignant
voltooid deelwoord
rejoint
1e persoon meervoud imperfectum
rejoignions
Voorbeelden
Nous avons rejoint nos collègues après la réunion.
We voegden ons na de vergadering bij onze collega's.
02
afspreken, samenkomen
venir au même endroit pour être ensemble ou se rencontrer
Voorbeelden
Peux -tu te rejoindre avec moi au parc ?
Kun je je bij mij in het park voegen?



























