Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Le rang
01
rang, positie
position, niveau ou statut d'une personne dans une hiérarchie ou un groupe
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
rangs
Voorbeelden
Il a atteint un rang élevé dans l'armée.
Hij bereikte een hoge rang in het leger.
02
rij, gelid
suite organisée d'objets, de personnes ou de sièges
Voorbeelden
Les élèves sont alignés dans le premier rang.
De leerlingen staan opgesteld in de eerste rij.



























